Meer informatie: Pesten

Een belangrijk thema in de jeugdromans van Gonneke is pesten. Tijdens lezingen op scholen besteedt ze hier ook veel aandacht aan. Hier vind je gedeelten uit de lezing zoals Gonneke die op scholen houdt en je vindt een aantal fragmenten uit ‘Mes op de keel’ en ‘Fluiten in het donker’.

Pesten is geen spelletje. GAME OVER!

“Vijftien jaar is hij. Hij zit in de derde klas van de HAVO. Hij houdt van dingen waar zijn klasge­noten niet van houden. Van vioolspelen en van leren. ‘Strijk­stok’ noemen ze hem. Of ‘leerpik’. Bij gymnastiek komt hij altijd achteraan. Hij wordt nooit gekozen. Hij heeft geen vrienden. Is een eenling. En hij is bang. Durft niemand te vertrouwen. Ieder moment kunnen ze hem immers weer te grazen nemen.”

“Vijfentwintig jaar is hij nu. Hij werkt als computerdeskundi­ge bij een groot bedrijf. Hij is goed in zijn werk. Buitenge­woon goed. Maar…hij is bang voor zijn collega’s, die het goed bedoelen. Als ze iets tegen hem zeggen raakt hij helemaal ver­krampt en draait hen de rug toe. Na een poosje laten ze hem links liggen en hij blijft eenzaam en ongelukkig, net als toen, tien jaar geleden, toen hij op de middelbare school zat en zo goed kon leren en vioolspelen.

“Dertien jaar is ze. Op de basisschool heeft ze groep drie twee keer gedaan. Ze ziet er wat anders uit dan de anderen. Andere kleren, wat vettig haar, een bril en hier en daar een pukkeltje. En ze slist een beetje. Als ze wat zegt wordt er in de klas gelachen. Regelmatig pikken de anderen haar agenda waar ze in krassen. Of ze gooien elkaar haar etui toe. Steeds weer moeten ze haar hebben.”

“Drieëndertig jaar is ze nu. Ze werkt als receptioniste van een groot hotel. Iedere klant staat ze perfect te woord. Ze draagt dure kleren en haar haren glanzen. Maar…ze is niet gelukkig. Ze vindt zichzelf minder dan de anderen. ‘s Morgens staat ze voor de spiegel en ze vindt zichzelf lelijk, waarde­loos.”

Pesten doet pijn!

Een gepeste voelt nog jarenlang de pijn van de pesterijen. Want ook al houden die pesterijen op een gegeven moment op, je bent er wel door beschadigd. Dat blijkt wel uit de voorbeelden. Mensen die in hun jeugd gepest zijn, voelen zich nog jaren daarna bang en minderwaardig.

Op elke School

Op elke basisschool en middelbare school komt het voor. Iedere leerling wordt er vroeg of laat mee geconfronteerd. Sommigen zijn er direct bij betrokken als gepeste of pester, maar de meesten zijn er indirect bij betrokken. Zij zien het in hun naaste omge­ving gebeu­ren.

Gymkleren in de plas

Ik geef Nederlands op een middelbare school in Groningen en laatst had ik het met mijn brugklassers over pesten. En toen kwamen de verhalen los. Lekge­prikte banden, in de vijver geduwd, gymkleren in een plas gegooid, en noem maar op. Ieder­een uit de klas kon zo een paar voorbeelden ople­pe­len van pesterijen.

De grootste pesters zijn vaak het bangst!

Er wordt dus veel gepest. In iedere groep bevindt zich wel een zonde­bok, een gepeste. En waarom? Waarom? Waarom heeft een groep een zondebok nodig? Waarom moet een groep zonodig iemand buiten­sluiten, iemand voor paal zetten, iemand het leven zuur maken? Naar die waaromvraag is heel wat onderzoek gedaan. En er zijn verschillende oorzaken voor gevonden. Maar een springt er steeds duidelijk uit. Simpel gezegd: Om alle ang­sten en frustraties af te reage­ren. Want dat is het. Niet meer en niet minder. Het afreageren van angsten en frustra­ties. De grootste pesters zijn vaak het bangst!

Fluiten in het donker

In mijn derde jeugdboek ‘Fluiten in het donker’ gaat net als is de hoofdpersoon een pester. In dit boek heb ik willen laten zien waarom een pester pest. Waarom pest Jelmer, de hoofdpersoon, nu eigenlijk? Als je onderstaand fragment leest, krijg je daar misschien wel een idee van.

Dat kun je beter.’ Zijn vader tikte ongeduldig met zijn knokkels op Jelmers bureau. `Over een uur heb je les. Wat zal meneer Van Vleuten zeggen als je dit simpele stuk nu nog niet kent.’ Lang­zaam trok zijn vader zijn broekriem los.

Jelmer masseerde razendsnel, zonder dat zijn vader het zag zijn vingers nog een keer. Hij wist dat het te vlug ging. Elke vinger drie keer, dat lukte nu natuurlijk niet. Zo hielp het niet.

`Vooruit, spelen.’

Met de moed der wanhoop zette Jelmer zijn vingers weer op de toetsen. Het beginstuk ging goed. Hij hoorde zijn vader achter zich ademhalen. Hij hoorde hoe zijn vader de riem door zijn hand liet glijden. Een zacht suizend geluid. Het maakte hem zenuwachtig.

`Ik kon vandaag niet zwemmen, pap.’ Hij draaide zich om naar zijn vader.

`Hoe durf je middenin te stoppen!’ Zijn vader liet de riem een keer op Jelmers rug neerkomen.

Jelmer voelde de pijn dwars door zijn sweater heen. De tranen sprongen hem in de ogen. Hij haatte zijn vader. Hij haatte hem zo erg, dat hij blij was dat hij het stuk zo slecht speelde.

`Vooruit, opnieuw!’

Voor de zoveelste keer begon hij te spelen. Hij beheerste het stuk allang, maar soms ging het opeens niet. Hij wist niet hoe dat kwam. Misschien omdat hij zijn vingers onvoldoende gemas­seerd had.

`Je moet je concentreren, hoe vaak moet ik je dat nou nog zeggen? Denk alleen aan de muziek en nergens anders aan. En zeker niet aan zwemmen!’ Iets in zijn vaders stem maakte dat Jelmer medelijden kreeg. Zijn vader wilde zo graag dat hij goed speelde, net zoals mama gespeeld had.

Weer klonk het zacht suizende geluid.

Jelmer sloot zijn ogen. Hij kon de noten dromen. Nergens meer aan denken, alleen aan de muziek. Hij deed zijn uiterste best om alle andere gedachten uit zijn hoofd te verdrijven. Het lukte. Het ging goed. Vlekkeloos speelde hij de melodie.

`Hè, hè,’ zei zijn vader, toen het uit was.’

Jelmer zuchtte een keer diep. Hij bewoog zijn vingers een paar keer voordat hij ze begon te masseren. Elke vinger precies drie maal.

`Wat doe je?’ vroeg zijn vader verbaasd.

`Dat is goed voor mijn vingers, zegt meneer Van Vleuten. Mama deed het ook’

`Dat weet ik.’ Zijn vader klemde zijn vingers om de riem. `Ze deed het altijd voor ze moest spelen.’

Hij staarde strak naar Jelmers handen. `Nu nog één keer!’ zei hij, toen Jelmer klaar was.

Jelmer deed zijn mond open om te protesteren, maar een blik op zijn vader weerhield hem daarvan.

`Denk om je concentratie. Daarmee valt of staat je spel.’

Dit keer ging het direct helemaal goed. Jelmer voelde het. Soepel bewogen zijn vingers over de toetsen en er was niets anders in zijn hoofd dan deze muziek. Deze prachtige muziek waar zijn vader en hij zo van hielden.

`Zie je nou wel,’ zei zijn vader triomfantelijk, toen hij de laatste noten gespeeld had, `je kunt het wel.’

Jelmer wreef zijn handen tegen elkaar. `Ja.’

`Denk er nou om, dat je je zo meteen bij meneer Van Vleuten ook goed concentreert.’

Jelmer knikte.

(uit: Fluiten in het donker, 2000, Sjaloom)

Jelmer is bang voor zijn vader en hij is natuurlijk ook heel boos dat hij op zo’n manier gedwongen wordt tot pianospelen. En om die angst en frustratie af te reageren, gaat hij pesten, pakt hij iemand die zwakker is dan hij.

Jelmer slenterde naar Joris en David. `Moet je Timmie eens zien. Volgens mij heeft hij nieuwe schoenen aan.’

Ook de andere jongens kwamen om Tim heen staan.

David grinnikte. `Hé Timmie, heb je nieuwe schoenen aan?’

Een aantal jongens begon te lachen.

`Zeker de schoenen van je opa?’ David trapte een paar keer op Tims rechterschoen.

‘Of heeft je moeder ze op de markt gekocht?’ Victor trapte op Tims linkerschoen..

Jelmer deed nog een paar stappen in Tims richting. `’t Zijn anders wel echte sportschoenen. Laat eens van dichtbij zien!’

Aarzelend bracht Tim een been omhoog.

Met een ruk trok Jelmer de schoen van zijn voet. `Ik heb hem!’ Gatver, wat een stank! Wel eens van geurvreters gehoord?’

De groep jongens joelde.

`Hier Joris, vang!’ Met een soepele zwaai zwiepte Jelmer de schoen naar Joris toe, die hem naar Patrick gooide. De schoen vloog de hele kring rond en belandde uiteindelijk weer bij Jelmer.

`Kom hem maar halen, Timmie!’ Jelmer zwaaide uitnodigend met de schoen boven zijn hoofd. `Nou, komt er nog wat van? Je wilt hem toch zeker wel terug hebben?’

Tim probeerde zijn schoen te pakken, maar Jelmer gooide hem razendsnel naar Mark. Tim rende naar Mark, maar Mark gooide naar Yuro.

`Wat gebeurt hier?’ De stem van meester Loek klonk streng. `Vooruit, geef Tim zijn schoen terug!’

Yuro mikte de schoen voor Tims voeten.

‘Moet dat zo? Mooie vertoning is dat. Wie begon hiermee?’

Niemand keek meester Loek aan. Ze staarden allemaal naar iets op de grond.

`Ik wil antwoord.’

`’t Was gewoon een lolletje,’ probeerde Joris.

`Een leuk lolletje hoor,’ spotte meester Loek. `Tjonge, jonge, wat bedenken jullie een leuke lolletjes, zeg. Was het voor iedereen leuk?’

De jongens mompelden wat.

`Ik hoor niks.’

`Nee,’ zei Joris.

De anderen schudden hun hoofd.

`Juist, dat wilde ik maar even horen.’

(Uit: Gonneke Huizing, Fluiten in het donker, 2000, Sjaloom)

Jelmers meester probeert het pesten te stoppen door er veel met zijn leerlingen over te praten. Uiteindelijk stellen de kinderen een pestprotocol (lijst met regels) op, dat iedereen ondertekent en waarin ze beloven niet meer te pesten.

`Weet je, pesten is macht uitoefenen. Allemaal samen tegen een.’ Meester Loek boog zich een stukje voorover.

`Maar wij deden niet mee gistermorgen,’ zei Yuro.

`Nee, maar jullie deden ook niets om het te stoppen. En dan doe je eigenlijk wel iets.’

`Wat dan?’ vragend keek Iris meester Loek aan.

`Je maakt de macht van de pesters groter. En die kunnen dan alles doen.’

`Nou alles,’ aarzelde Manuel.

`Ja, alles,’ zei meester Loek. `Ik hoef jullie toch niet te vertel­len hoe ver pesterijen soms kunnen gaan?’

Mark stak zijn vinger op. `Mijn neefje vertelde dat er in zijn klas een keer een jongen met fiets en al in het kanaal is gegooid. Hij werd altijd opgewacht door een aantal jongens uit zijn klas.’

(…)

`Waarom gebeuren die dingen, denk je?’ vroeg meester Loek.

`Sommige kinderen zijn gewoon zo stom,’ zei Mark.

`En daarom donder je hen maar het kanaal in?’ vroeg meester Loek.

De klas lachte.

(…)

`Stel nou dat ik meester Paul niet zo leuk vind.’ Meester Loek lachte even. `Ik zeg stel hoor, want ik vind meester Paul heel aardig, maar stel dat, dan ik ga ik hem toch ook niet duwen of stom­pen. Of zijn lunchpakket­je in de prullenbak stoppen. Of zijn schoen over­gooien samen met juf Els en mees­ter Frank.

De kinderen lachten.

`Ja, dat vinden jullie nou belachelijk, maar als jullie het zelf doen niet.’

`Wij zijn kinderen, hoor,’ zei Patrick.

`Dat is zo,’ zei meester Loek. `Wat wil je daarmee zeggen?’

Patrick zweeg.

`Hoe denken jullie dat Tim zich voelt?’ vroeg meester Paul.

`Akelig, natuurlijk,’ zei Marleen.

`Bang.’

`Klote.’

`Boos.’

`Verdrietig.’

`Lullig.’

Iedereen riep door elkaar.

(…)

Meester Loek keek de kring rond. `Ik wil dat jullie nu alle­maal nadenken over een manier waarop we dit gepest kunnen stop­pen.’

`Gewoon ophouden,’ zei Lisa snel.

`Is het zo eenvoudig?’ vroeg meester Loek.

De anderen knikten.

`Voor Jelmer niet,’ mompelde Victor.

`Wat zeg je?’ vroeg meester Loek.

`Laat maar,’ zei Victor.

`Niks ervan,’ zei meester Loek onverwacht scherp. `Nu moet je het ook duidelijk zeggen.

`Niet voor Jelmer, die begint altijd,’ zei Victor.

Jelmer voelde dat zijn hoofd warm werd.

(…)

`Wil jij wat zeggen, Jelmer?’ Meester Loek keek hem aan.

Jelmer schudde zijn hoofd. De warmte zakte uit zijn hoofd via zijn nek over zijn rug naar beneden. Hij voelde zich bang en verward.

`Echt niet?’ drong meester Loek aan.

`Nee.’ Hij wreef stiekem zijn vingers. Elke vinger precies drie keer, dan zou het vanmiddag goed gaan. Ze voelden ijskoud aan.

`Jelmer?’

De stem van meester Loek klonk van ver. `Gaat het goed?’

Jelmer knikte zonder op te kijken.

Meester Loek stond op en pakte een papier uit zijn bureaula. `Ik wil samen met jullie een contract opstellen.’

`Wat is dat?’ vroeg Patrick.

`Dat is een aantal afspraken of regels die wij samen maken en waaraan iedereen zich dan moet houden,’ legde meester Loek uit.

`Waarom moet dat?’ wilde Awinash weten.

`Ik hoop dat we op die manier een prettiger sfeer in de klas krijgen.’

Lisa en Iris knikten.

`Wie weet er een?’ vroeg meester Loek.

`Elkaar niet pesten, dus!’ Iris lachte.

`Goed.’ Meester Loek schreef het op een wit papier.

`Elkaar niet uitschelden,’ zei Marleen.

`Niet slaan en zo,’ zei Joris.

`Niet schoppen.’ Yuro wreef met zijn vinger langs zijn neus. `Niet duwen en trekken.’

`Oké, oké, prima allemaal, maar zo snel kan ik niet schrijven.’ Meester Loek wapperde even met zijn papier, voordat hij weer verder schreef. `Nog meer?’

`Van elkaars spullen afblijven,’ kwam Manuel.

`Elkaar niet uitlachen,’ zei Nana bedachtzaam.

`Prima.’ Meester Loek schreef verder.

`En wat vinden jullie van ‘elkaar niet buitensluiten’?

De kinderen knikten.

`Hebben we zo genoeg?’ Meester Loek keek de kring rond.

`Niet de baas over elkaar spelen,’ zei Jelmer.

`Dat is ook een goede,’ zei meester Loek. `Vinden jullie niet?’

De anderen knikten.

`Dan nu de laatste regel. Als je merkt dat iemand zich niet aan deze regels houdt, dan meld je dat.’

`Maar dat is klikken,’ merkte Sterre op.

`Ik vind van niet,’ zei meester Loek. `Als iedereen het contract straks tekent, dan moet ook iedereen zich aan de afspraken houden en als dat niet gebeurt, dan is iedereen daarvoor verantwoordelijk. Toch?’

`Ja, misschien wel,’ zei Joris. Hij dacht even na. `Maar ik vind het wel rot om dat dan te moeten zeggen.’

`Maar daarom zet je nu juist een handtekening. Iedereen moet zich verantwoordelijk voelen voor het zich houden aan deze afspraken. Als iedereen zegt dat hij het goed vindt dat er gemeld wordt, dan is het toch ook geen probleem?’ Meester Loek gaf het papier aan Marleen.

(…)

Marleen pakte een pen en zette haar naam op het papier. Daarna gaf ze het door aan Iris. Alle kinderen tekenden en uiteinde­lijk kwam het papier weer bij meester Loek terecht.

`Mooi zo.’ Hij vouwde het papier op. `Over een poosje zullen we bespreken hoe het gaat.’

(uit: Gonneke Huizing, Fluiten in het donker, 2000, Sjaloom)

Het pestprotocol van meester Loeks klas blijkt gelukkig redelijk goed te werken en het gepest stopt.

Mes op de keel

In mijn debuut ‘Mes op de keel’ is de hoofdpersoon, Rutger, geen pester, zoals in ‘Fluiten in het donker’, maar een gepeste. Waarom wordt Rutger gepest? Op de basis­school, in groep 3, ontdekken twee jongens, Erik en Peter, dat Rutger heel gemakkelijk te pakken is. En het wordt van kwaad tot erger. Zelfs de leerkracht doet min of meer mee.

“Hé, Rutger Sips, blote bips, kom je hier ook op school!” schalde het over het school­plein.

Met een ruk draaide Rutger zich om. Een eindje verderop ston­den Peter en Erik te gieren van de lach.

Rutger balde zijn vuisten in de zakken van zijn jack. Dat nu net uitgerekend Peter en Erik, de twee grootste trei­terkop­pen uit groep acht, ook naar het P.C. Hooftcol­le­ge gingen. Op de basisschool hadden ze hem tot de zondebok van de klas gebom­bardeerd. Ze hadden hem uitgeschol­den, geduwd en geslagen. Ze gooiden zijn broodtrom­mel naar elkaar toe, ze pikten z’n agenda en ze smeten z’n gymkleren in een plas water. Vaak had de hele klas meegedaan.

Een keer had Peter hem bij het ringen zwaaien z’n broek naar beneden getrok­ken. Hij voelde nog de schaamte branden als hij aan die gymles dacht. Peter had hem moeten aanduwen.

“Nu kunnen we lachen joh,” had Peter ge­fluisterd. Hij had Rutger aangeduwd, steeds hoger en hoger, net zolang tot Rutger had gepiept: “Niet hoger Peter, niet hoger.”

Peter had bij de laatste zet een flinke ruk aan Rutgers broek gegeven.

“Jongens kijk eens, daar hangt Rutger Sips, blote bips,” had hij gebruld.

Rutger zwaaide op en neer met zijn broek op zijn enkels. Alle kinderen waren in lachen uitgebar­sten, ook de meester. Rutger voelde nog de vernedering. Omdat hij zo hoog zwaaide, durfde hij niet af te springen. En ter­wijl hij daar machteloos op en neer slingerde, zwol het gelach aan. Het duurde naar zijn idee uren voordat hij durfde springen. Hij had zijn evenwicht verloren en was gestruikeld over zijn eigen benen. Hij had met een hoogrode kleur en brandende ogen zijn broek opge­hesen. Meester Verheul had grijnzend gezegd: “Trek het je niet aan, het is maar een geintje hoor!”

(uit: Gonneke Huizing, Mes op de keel, 1996, Sjaloom)

Dat zie je wel vaker gebeuren. De leerkracht roept het pesten geen halt toe, maar hij moedigt het zelfs min of meer aan. De schrijver Jan de Zanger heeft in zijn jeugdroman ‘Hadden we er maar wat van gezegd’ beschreven hoe dat in zijn werk gaat. Rutger heeft de pech dat zijn twee grootste kwelgeesten naar dezelfde middelbare school gaan als hij. Zal alles dan gewoon doorgaan? Maar dan bemoeien twee vijfdeklassers zich ermee. Zij willen Rutger wel beschermen. Maar…voor niets gaat de zon op. Ze moeten er wel wat voor hebben. Geld. Steeds meer geld willen ze zien en daardoor komt Rutger ernstig in de problemen.

“Hoe moet ik aan dat geld komen?” gilde Rutger. “Ik heb het niet, ik heb het niet.”

“Ja dat weten we nou wel.” Kars trok hem naar zich toe. Rutger zag de blonde donshaartjes op Kars’ kin.

“Het zal ons een rotzorg zijn, hoe jij aan die centen komt, als je er maar aan komt. Desnoods jat je het van je oma.” Kars duwde hem zo ruw van zich af, dat hij achterover op de grond tuimelde.

Hij krabbelde overeind en klopte zijn kleren af. Hij wreef met zijn hand over zijn achterhoofd. Hij voelde iets nats en warms. Zwijgend depte hij met zijn zakdoek het bloed van zijn vin­gers.

“Je weet het hè? Uitstel van betaling tegen honderd procent rente. Dat wordt dan, even rekenen, honderdtwintig gul­den. En als je de poen over twee week niet hebt, dan zul je wat bele­ven.” Kars veegde demonstratief zijn handen aan zijn broek af.

“Donder nu maar op.” Niek gaf hem een harde por in zijn rug.

Twee weken later had hij het geld natuurlijk nog niet.

“Klootzak!” Kars greep Rutger bij zijn bovenarmen en rammelde hem heen en weer.

“Laat me los!” Rutger pro­beerde zich los te rukken, maar Kars hield hem in een ijzeren greep.

“Klein, vuil rotjong!” Niek gaf hem een stevige draai om zijn oren.

“We hadden hem dat krediet nooit moeten verlenen.” Kars kneep hem zo hard in zijn bovenarmen, dat hij een kreet van pijn niet kon onderdrukken.

“Houd je bek!” snauwde Niek.

“Wat moeten we nou met die eikel?” Niek keek Kars vragend aan. “Naar die honderdtwintig gulden kunnen we fluiten!”

“Ben jij bedonderd!” Kars keek zijn vriend woedend aan. “Reken er maar op dat ie betaalt.”

Hij wendde zich weer tot Rutger. “Luister goed,” zei hij langzaam en nadrukkelijk. “Over precies veertien dagen betaal je ons, eens even kijken, twee­hon­derdvijf­tig gulden. Zo niet, dan zul je wat beleven. Die Erik en Peter, dat waren toch vrienden van je nietwaar? Ze zullen je met open armen ontvan­gen.”

“En dat is nog niet alles! Eerst breken we je poten!” Niek gaf hem een tweede draai om zijn oren.

“Je moet eens wat creatiever worden, slome. Zo’n kunst is het niet om iemand een tasje uit z’n poten te trekken!”

“Onthoud het goed! Over veertien dagen betaal je ons tweehon­derd­vijftig gulden, begrepen?” Kars’ hand verplaatste zich naar Rutgers hoofd. Hij greep met zijn volle hand in Rutgers haar en schud­de zo zijn hoofd op en neer.

“Hij heeft het begrepen,” constateerde Niek. “Houd zijn kop maar weer stil!”

“En waag het eens er met iemand over te kletsen.” Kars haalde z’n mes tevoorschijn en liet hem een paar keer open en dicht springen. “Dan nemen we niet alleen jou, maar ook dat leuke zusje van je te grazen.”

Rutger slikte zijn tranen in. Door een waas zag hij de twee jongens vertrekken.

(Uit: Gonneke Huizing, Mes op de keel, 1996, Sjaloom)

Uit angst om opnieuw gepest te worden en natuurlijk ook uit angst dat ze z’n zusje iets doen, berooft Rutger uiteindelijk een oude man en hij loopt weg van huis. Pesters kunnen hun slachtoffer tot wanhoop drijven. Door alles wat Rutger meemaakt, wordt hij zelfverzekerder en tenslotte lukt het hem om het pesten te stoppen.

GAME OVER

Pesten en gepest worden. Een gegeven waar iedereen die op een school rondloopt mee geconfronteerd wordt. Ik zie het regelmatig om me heen gebeuren en ik vind het afschuwelijk. En daarom gaan twee van mijn boeken over pesten. Ik hoop dat mijn lezers gaan nadenken over pesten.

WANT…PESTEN IS GEEN SPELLETJE. GAME OVER!